Onze West, boekfragment uit het boek door A.H. Pareau van 1898

Fragment opgenomen in de bundel “Noordoostpassanten, 400 jaar Nederlandse verhaalkunst over Suriname, de Nederlandse Antillen”. Ondertitel ‘Onder de negerinnen treft men meer zenuwlijderessen aan dan onder de Europeesche vrouwen’

“De beste staalkaart van de verschillende rassen ziet men op de verjaardagen der Koninginnen (Emma en Wilhelmina, noot @10). Dat zijn met recht feestdagen voor de kolonie! Van heinde en verre stroomen dan de menschen, dikwijls na een reis van vele dagen, naar Paramaribo. De bevolking is in die tijden zeker met eenige duidenden aangegroeid. Den ganschen dag vertoont het gouvernementsplein op zulk een feest een zeldzaam schilderachtig schouwspel.

Een van de aardigste momenten is het einde van de parade. De geheele bevolking heeft haar beste plunje aangetrokken en vult in dichte rijen de paden rondom het groote grasveld, waar de troepen van landmacht en schutterij zijn opgesteld. Ziet bij ons te lande zulk eene volksverzameling er gewoonlijk grauw en bruin uit, tengevolge van de eentonige kleding, waaraan wij gewend zijn, dáár ginds is het heel anders. De gezichten mogen donkerder zijn, daarentegen zijn alle kleuren van de regenboog in de rokken, jakken en paantjes of shawls vertegenwoordigd, liefst zoo schril mogelijk, terwijl de meeste mannen bij zulk een feest helder wit zijn gekleed. Bij het felle zonlicht maakt die menschenmassa, als een geheel genomen, een indruk van kleurenpracht, zoals ik nergens heb waargenomen.

Op het oogenblik dat de opgestelde gelederen, met de schutterij voorop, het paradeveld gaat verlaten, opent zich die kleurige mensenguirlande om de troepen door te laten en omstuwt nu, op een geweldige wijze calcinerende, de geliefde schutters op hunne tournée door de stad. Iemand die voor ’t eerst zulk een feestdag te Paramaribo bijwoont en reeds in den vroegen morgen (want de parade is al om 9 uur afgeloopen) de bevolking bijna tot razernij toe ziet opgewekt, denkt bij zichzelven: hoe zal dat afloopen eer de avond is ingetreden, en hij benijdt geenszins de taak van de talrijke politiedienaren.

De politie, die een paar uren vroeger, en corps militairement opmarcherende, op het plein is aangekomen om het terrein voor de parade af te zetten, wat haar uitstekend afgaat, ziet er kranig uit. Zij wordt voor een deel gerecruteerd uit het leger, dat eerst geschikt geachte manschappen aan de politie op proef afstaat. Er bestaat tusschen het leger en dit deel der politie daarginds eene verhouding als bij ons tusschen leger en maréchaussée.

Gelukkig komen die sombere verwachtingen, waarvan ik sprak, niet uit; de politie heeft op zulke feestdagen bijna altijd eene lichte taak. De opgewondenheid van de negers is eene extase, waarin zij gemakkelijk vervallen zonder een druppel alcohol gezien te hebben. De woeste dans is hun tweede natuur. Ik heb bij gelegenheid van een dergelijk feest mij over dag en zelfs des nachts, na afloop van het bal bij den Gouverneur, veel onder de menigte bewogen, doch geen enkelen neger of negerin gezien, die wegens dronkenschap moest worden opgepakt. En toch zijn hunne uitingen van vreugde veel uitgelatener dan het zwaarmoedige lied van den dronken Nederlander.

Die schijnbaar ontembare menigte, welke de schutterij vergezellende door de stad liep, bestond uitsluitend uit negers, negerinnen en kleurlingen, die het grootste deel van Paramaribo’s populatie uitmaken. Die stadsnegers stammen af van de vrijgemaakte slaven; onder de ouderen van dagen treft men er nog aan, die zelf slaaf zijn geweest, doch de meesten zijn natuurlijk reeds als vrije menschen geboren. Zij vertegenwoordigen in Paramaribo den arbeidersstand, zoowel dien van de daglooners als van de ambachtslieden. Er bevinden zich zonder twijfel zeer geschikte personen onder, maar in den regel zijn zij lui. Weinig werk leveren voor veel geld is hunne leuze; zij kennen niet de neiging om door vlijt iets over te sparen. De natuur in de tropen is zoo mild en zoo uitlokkend tot niets-doen, dat een neger, die weinig geld heeft verdiend, soms verscheiden dagen uitrust voor hij weer werk gaat zoeken. Zijne behoeften zijn gering en de natuur biedt hem veel voor weinig geld.

Voor opschik hebben de negerinnen vrij veel over. Op een feestdag is iedere vouw, of meisje als in een splinternieuw kleed uitgedost met eene extra opzichtige hoofddoek getooid. Die vrouwen weten zulk een doek, die sterk gesteven is, zeer kunstig tot een soort tulband of muts om het hoofd te vouwen en, eenmaal gevouwen, blijft de vorm bewaard ook als het hoofddeksel is afgenomen. Aan de manier van vouwen kunnen ingewijden heel wat onderkennen; gemoedsstemmingen, burgerlijke stand, rouw, enz. worden door bepaalde vouwwijzen uitgedrukt.

In de laatste jaren heeft men die mutsen omgeven met witte randen van pluche, waardoor zij sterk zijn gaan gelijken op de barets van de pages uit de riddertijden.

Waarom die mutsen altoos over de ooren getrokken moeten worden, is mij een raadsel, maar daarover zou ik nog heenstappen. Meer bezwaar heb ik tegen de wijze, waarop de negerinnen de rokken dragen, n.l. zoals de echte cotto-misies dit doen. Want men moet weten dat men de misies verdeelt in cotto-misies, die zich houden aan de nationale klederdracht, parto-misies, die jacquetten dragen als Europeesche dames maar toch een hoofddoek, en de kreti-misies (1*), die noch in hoofdtooisel noch in de keuze van de japonnen voor de blanke dames onderdoen. Ongelukkig dat hare gelaatskleur de afkomst verraadt; zelfs in het donker kan men zich niet gemakkelijk vergissen; de neus neemt dan de functiën van de oogen over!

(1*) Parto is afgeleid van paletot en kreti van kleed; de negers verwisselen altoos de l en de r . (noot AH Pareau)

Om nu op ons cotto-misie terug te komen, deze draagt haar kleederen op de wijze van Kate-Greenaway-kinderen, althans in zoverre, dat de rokken niet om het midden van het lijf maar onder de oksels worden bevestigd; daarbij zijn de rokken zoodanig gesteven, dat zij wijder uitstaan dan het geval is bij hare Scheveningse zusteren. En dat zij daardoor het air van jeugd zouden krijgen, moet men niet meenen; daartoe zijn die negerinnen veel te breed geschonkt en geschouderd, en wanneer zij over die breede schouders een soort manteltje of paantje dragen, dan gelijken zij op plompe piramidale wezens, die nauwelijks als vertegenwoordigers van het zwakke geslacht kunnen gelden.

Bovendien loopen de negerinnen meestal met een knik in de rug en kijken brutaal met hare groote, donkere oogen in ’t rond, zoodat zij een type vormen waaraan men wennen moet. Zij zijn, geloof ik, over ’t algemeen goedhartig van aard en goedlachs, en, wat men niet licht vermoeden zou als men die stevige figuren voor zich ziet, zeer nerveus, zoodat men onder de negerinnen, naar ik vernam, meer zenuwlijderessen aantreft dan onder de Europeesche vrouwen.

Haast zou ik zeggen, dat zij minder lui zijn dan de mannen; men ziet althans vele vrouwen op straat vrij zware vrachten dragen en wel steeds op het hoofd. In de kunst van het balanceren van dergelijke lasten hebben zij het zeer ver gebracht. Eene lastdragende vrouw bestempelt men niet met den naam van misie, dat ongeveer gelijkstaat met ons juffrouw, men noemt haar cotto-soema en in haar kleding verschilt zij van een cotto-misie door het gemis van kousen en schoenen.

Als de middagzon hare verzengende stralen bijna loodrecht omlaag zendt. loopt het plein op de bedoelde groote feestdagen voor een groot deel leeg. Na afloop va de parade heeft men de tentoonstelling van bloemen bewonderd, zich vermaakt met de inderdaad fraaie en grappige voorstellingen van een fietsclub, den wedstrijd bijgewoond van de door menschenkracht voortbewogen vaartuigen, als visscherssloepen, vletten, korjalen en dergelijke, zoomede wat verder op het uitgebreide programma der feestelijkheden moge gestaan hebben, en men is dan wel geneigd om na een versterkenden maaltijd wat rust te nemen. En dit te eer, omdat ons na de rust nog velerlei volksspelen wachten, als mastklimmen, boegsprietloopen, eene harddraverij van onwillige ezels en in den avond een groot vuurwerk.”