Herkomst Arnodus van Moock

Uit het artikel van Geert Dibbets op dbnl.org: “Simon van Moock, romanpersonage” 

Zijn vader Simon Johan(nes) Matthijs van Moock is op 28 mei 1771 in het Duitse Wesel geboren en daar in de gereformeerde Willibrordikirche gedoopt. Hij was de vierde van de vijf kinderen van Arnold van Moock, praeceptor van de Willibrordischule, en Anna Elisabeth Voss. De matrikel van het gymnasium van Wesel laat zien dat Simon kort voor zijn twaalfde verjaardag de school van zijn vader -waar hij waarschijnlijk al Nederlands heeft geleerd- verlaten heeft (‘ex praeceptionibus scholae Mocii’) en ingeschreven werd als leerling van het plaatselijke gymnasium. In 1791 had hij die opleiding afgerond.

Waarschijnlijk is Simon in 1796 naar Den Haag gekomen en gaan wonen in de Houtstraat. In 1802 is hij in het huwelijk getreden met Henrietta Albertina Koch uit Kleef, zo’n 35 kilometer van Wesel gelegen. Zij is gedoopt op 22 maart 1772 als dochter van praeceptor Johan Peter(sen) Koch en Johanna Sybilla Hack.

Met attestatie van de gereformeerde gemeente van Den Haag hebben de Van Moocks zich in december 1802 in Delft gevestigd; hun akte van inwoning daar is 18 december 1802 verleend. Op 5 december 1804 hebben zij daar voor ƒ 2000 ‘Een huis en erve met een tuin daar agter staande en gelegen aan de W[est]z[ijde] van de Oude Delft, binnen de stad’ gekocht (Wijk 4, nr. 480), op de plaats van het huidige nummer 161, naast de Hieronimuspoort, waar zij hun leven lang zijn blijven wonen. Daar heeft het echtpaar zeker zeven kinderen gekregen, die gedoopt zijn in de gereformeerde Gasthuiskerk.

In dat pand aan de Oude Delft was ook Van Moocks kostschool gevestigd, nadat het Delfts stadsbestuur hem op 19 juli 1804 toestemming had verleend tot het oprichten ervan. Bron: o.a. Jaarboekje voor de stad Delft. 1848 (Delft: J. de Groot, 1848). Ook op deze ‘Franse school’ is vervolgonderwijs gegeven van een algemeen-vormend karakter, met een breed spectrum aan vakken. De schaarse gegevens wijzen erop dat de aantallen kostleerlingen sterk fluctueerden en dat er nogal wat kinderen van zogenaamde Indischgasten aan de zorgen van de Van Moocks toevertrouwd zijn geweest zoals de ‘Afrikaanse Prinsen’. Het verslag van hoofdinspecteur Wijnbeek spreekt over 1838 van acht kostleerlingen (exclusief de prinsen) en een gering aantal dagscholieren; in 1839 echter hadden de Van Moocks hun inkomen van ‘18 inwonende leerlingen in de leeftijd van 9-16 jaar, allen van buiten Delft, 9 van hen uit Nederlands-Indië waar hun ouders woonden’. Erkenning voor de onderwijskundige kwaliteit van de geheel onbevoegde Van Moock (‘hij bezat ‘geene rang’ als onderwijzer’) spreekt uit zijn benoeming tot lid van de plaatselijke school-commissie op 24 november 1830; ook was hij belast met de directie over de Delftse armenscholen. Het hele verhaal.