Over ds Pareau door een oud-leerling

Overgetypt en hertaald uit het Noord Hollands dialect. *       Blz. 66 – 71 van ??

Onze dominee *

(Antoine Guillaume Pareau, geboren 26 maart 1831, overleden 13 september 1896 te Anna Paulowna (NB hij sterft in Baarn!), Eerste predikant der Ned. Herv. gemeente te Anna Paulowna van 28 juni 1857 – 13 september 1896).

Wat een hoop jaren is het al geleden dat ik voor het eerst op de vragelering (catechismus) ging! Al over de 35 jaar, maar wil je wel geloven dat veel dingen uit die tijd me heugen als de dag van gisteren? Dat zal voor een groot deel wel daar vandaan komen, dat als je wat ouder wordt, alles van heel vroeger veel beter te onthouden lijkt, als wat daarnet gebeurd is. Dat me nu net van die ‘vrageleringtijd’ zo veel bijgebleven is, dat komt ook wel het meest omdat die goede oude dominee van ons zo mooi kon vertellen. Want die had er slag van hoor om bij het vertellen alles tegelijk zo voor te stellen, dat je het niet meer vergeten kon, want je zag alles zowat voor je eigen ogen gebeuren.

Ik heb 4 jaar bij hem op de gewone vragelering – wij zeiden eigenlijk de kleine vragelering – gelopen en zodoende heb ik in die tijd ook wel 4 keer dezelfde verhalen gehoord, want in de herfst als de vragelering weer aanving, begon de dominee altijd weer vanaf het begin, maar verveeld heb ik me geen minuut bij hem. Of hij het nu had over Adam en Eva in ’t paradijs of over Saul en David, of over de gelijkenissen of over Luther en zijn kameraden, ’t was altijd even mooi.

Nee, nooit van mijn leven heb ik daarna iemand gekend die zo verschrikkelijk mooi vertellen kon als die oude dominee van ons.

Nu kan het vanzelf erg goed zijn dat er toen in die tijd – en misschien nu ook nog wel – een groot deel van de dominees en ook wel andere mensen waren die zoals hij deed eigenlijk niet zo erg domineesachtig vonden. Daar hebben wij nooit over nagedacht. Wij hielden veel (hieuwe groot) van hem en gingen graag naar de lering. Dat zegt eigenlijk genoeg! Want dat is op andere plaatsen wel der eens behoorlijk anders naar ik wel ’s hoor. Nou zijn jongens in de tijd dat ze nog naar school gaan denk ik overal gelijk, zodat ik maar zeggen wou, zie je, dat als je op aardse plaatsen de ‘jouns’ (jongens? jongeren?) naar de lering gejaagd moeten worden, dan schortte het bij de dominee, want bij ons was dat niet nodig. En dat kwam wel ’t meest door de manier van vertellen door de dominee.

Wie een keer, om maar eens wat te zeggen, die geschiedenis van Simson van hem gehoord had en gezien had met zijn eigen ogen, ja want zo duidelijk stelde dominee dat voor, hoe die sterke buffel van een Simson die leeuw vastgreep en diens hele bek uit elkaar scheurde, die kon dat niet meer vergeten. Die ziet nu ook nog dominee achterover in zijn stoel liggen met zijn ogen dicht en hoort hem onderwijl vertellen hoe die Delila Simson’s lange haren vastmaakte aan ijzeren pennen, die ze in de grond geslagen had. Die ziet nu nog Simson wakker worden en zichzelf met een paar harde rukken (snokke) losscheuren als dat valse wijf van een Delila roept dat de Filistijnen komen en die ziet Simson nu nog met een paar ijselijke ogen in zijn hoofd naar Oost en West kijken en hoort hem nog roepen: “Waar zijn ze? Laat ze maar komen als ze durven!”

Mannen en vrouwen die ook bij onze dominee gelopen hebben (kwamen), ik vraag het jullie: Heb ik teveel gezegd dat jullie dat ook allemaal nog net zo goed weten als ik? Vast en zeker zien jullie nu dominee ook nog staan bibberen als die valse Delila – wat deed die ook steeds bij dat wijf, heb ik toen vaak gedacht en hoe kon die toch eigenlijk zo stom zijn om haar zo maar alles te vertellen? – als dat valse kreng, zeg ik nog ‘r ‘s, weer schreeuwt van ‘Simson de Filistijnen komen’ en Simson die merkt dan, dat Delila stiekem zijn haar afgeknipt heeft en dat hij nu zijn kracht helemaal kwijt is. Wat hadden we ’t dan met die arme Simson te doen hè? Wat ijsden we dan als die ‘lupe’ (lieden, lui) van Filistijnen Simson’s ogen dan uitstaken. En wat hadden we daarna weer grote schik als die stomme Filistijnen Simson’s haar zomaar weer lieten aangroeien, zonder dat de er erg in hadden, en Simson die almaar voelde dat ‘ie langzaam weer net zo mirakel sterk begon te worden als voor die tijd.

Als dominee met zijn ogen dicht net als de blinde Simson met zijn lange armen rondvoelde en net zo lang rekte tot hij twee dikke pilaren te pakken had, dan zijn benen ver uit elkaar zette en dan met een ontzettende kracht ’t klaar speelde om die hele tempel met al die valse hufters van Filistijnen erin en erop in elkaar te laten storten, dan was er geeneen van ons die ’t niet zag gebeuren.

Ja, dan was later die verschrikkelijke dood van Simson onder de stenen van de Filistijnse tempel voor ons gewone boerenkinderen iets, waarvan we de grootheid door en door voelden, al hadden we vanzelf veel liever gehad dat Simson er toch op de een of andere manier goed afgekomen was. Dat de Joden en de Filistijnen elkaar niet zetten konden, dat was nogal duidelijk en dat wij er altijd heel erg in groeiden als die Filistijnen weer es lekker op hun kop kregen, dat was ook nogal helder (glad). De Joden die konden in de dagen van Simson en van die andere Rechters (Richters) geen grotere hekel aan die Filistijnen hebben als wij jongens van de kleine lering. Dat was toch wel het beste bewijs dat dominee al die mooie geschiedenissen weer helemaal (hillikendal) levend voor ons maakte.

Je kon er dan ook wel vast van op aan, dat als dominee weer ’s die geschiedenis van David en Goliath verteld had, dat dan bij ons de slingers ook dadelijk voor de draad kwamen om weer eens te proberen, wie ’t verst zo’n grote grintsteen (grentstien) in het water plompen kon.

Meestentijds kun je achterna niet zeggen waarvandaan bij tijden opeens alle jongens/jongeren (jonges) aan het tollen, hoepelen of aan het knikkeren gaan. Ze zeggen dan wel dat ’t de hoepel- of knikkertijd was, maar dan ben je eigenlijk nog niet zo wijs, want dan weet je nog niet, hoe die jongens (jonges) dat ineens wisten. Ik heb tenminste nog nooit ’n almanak of een scheurkalender gevonden waar die tijden in stonden.

Maar wat nou dat spelen met die stenenslingers betreft, daarvan regelde onze dominee de tijd. En ik zou bijna wel denken dat de glazenmakers ’t wel konden merken als dominee weer net van David en Goliath verteld had.
Wat zou die dominee van ons een mirakels goede verteller (rederaiker) geweest zijn. Je moet niet denken hoor dat ‘ie ook maar een kleinigheidje vergeten zou, als hij wat uit de Bijbel aan ons voorstelde. Als hij Herodes was op dat feest waar die dat hoofd van Johannes de Doper weggaf – weer aan een ander vals wijf – dan deed hij precies een dronken kerel na, die er ’s erg royaal wou zijn en dan zou hij niet vergeten om eerst zijn ‘krol’ (kraag?) op te zetten, want die verbeeldde dan zijn kroon. En toen hij ons er eens een voorstelling gaf van het offer van Abraham, toen nam hij mijn broer die onder mij komt, legde hem uitgestrekt op tafel en hief zijn knipmes hoog in de lucht net alsof hij raak steken wilde en toen kwam die stem uit de hoogte: “Abraham hou op!” wij zouden dat ogenblik nooit meer vergeten, hoe het maar een beetje gescheeld had of die arme kleine Izaak die was er geweest.

Nou ’t was toneel, waar al die stukken opgevoerd werden, maar erg klein, want ’t was de consistoriekamer en die was bij ons nou niet zo bar groot. Daar stond ’n tafel in ’n een stoel voor dominee. Verder waren er nog 2 rijen van elk 3 houten banken, een potkacheltje, waarbij meestal een stapeltje korte turven lag en dan vanzelf een kolenbak met een kolenschep en een pook. Dat was alles. En in dat kleine kamertje met zand op de vloer en met die weinige dingen de erin waren, daar moest dominee zichzelf maar zien te redden. En dat bracht ‘ie wonderwel voor elkaar. Die pook vooral, die had hij nogal eens nodig. De ene keer was die het zwaard, waar ’t hoofd van Johannes de Doper mee afgeslagen werd. Dan weer hing dominee ‘m aan zijn rechtervestzakje onder zijn jas, want dan was dominee die slinkse rechter Ehud en dan werd die dikke koning van de Midianieten er mee doodgestoken. (https://en.wikipedia.org/wiki/Ehud).

Een andere keer stelde dominee één van de 300 mannen van Gideon voor, die met bazuinen en kruiken (kruike) de Midianieten (Moabieten) weer ’s te lijf gingen en dan was de pook vanzelf een bazuin en zette dominee ‘m aan zijn mond net alsof hij erop ging blazen. Die pook die speelde voor speer waarmee Absalom werd doodgestoken, ook wel voor olijftak en als de nood aan de man kwam ook wel voor ezelskop (ezelskinnebak) en stormram.

Ook de kachel die moest nogal ’s meedoen. Als die moest spelen voor de vurige oven, als we toe waren aan die geschiedenis van die 3 jongelingen, nou dat kon er best mee door. Als het ogenblik daar dan was, dat die 3 jonge knapen de oven in moesten, dan gooide dominee ’t kacheldeurtje wijd open, greep tegelijkertijd een korte turf en zei dan: “Hier Sadrach!” en meteen ging de turf de kachel in. Dan gingen Mesach en Abaknego dadelijk hun kameraad achterna. Dan ging het deurtje dicht en dan werd er eventjes gewacht. Kijk, dan was ’t eigenlijk wel jammer, dat die korte turven wèl gingen branden en dat dominee ze daarvan vanzelf ook niet meer heel uithalen kon, net als met de 3 jongelingen. En die engel, die achteraf immers bij die 3 jonge knapen was, ja, die moesten we ons er maar helemaal (hillekendal) bij verbeelden. Je ziet wel die voorstellingen die gingen nou niet altijd op, maar dominee die vertelde er zo mooi bij dat je alles evengoed voor je ogen zag gebeuren.

Dat dominee die oude kachel voor een vurige oven door liet gaan, ik zei het zonet (zopassies) al, dat kon er voor een kachel best mee door. Maar die kerel, die indertijd die kachel gemaakt had, die zal wel nooit gedacht hebben dat diezelfde kachel ook nog ’s de stad Jericho zou moeten verbeelden en dat er nog ’s ’n tijd komen zou, dat ergens in een plaatsje in Noord-Holland een dominee op zijn vragelering vast één keer in een jaar met een pook op zijn rechterschouder precies 7 keer erg stampende met zijn benen om die kachel zou lopen en elke keer nog weer harder als die keer ervoor. En die kachelkerel die zou niet weten wat die hoorde als je hem er nog bij gezegd had dat diezelfde dominee, als die 7 keer om de kachel gedraafd had, het toch wel een beetje spijtig vond, dat nu de kachel ook niet ondersteboven of anders helemaal (hillekendal) in elkaar stortte met als de muren van Jericho.

Nu zou het mij zeer spijten als al die mensen, die onze dominee nooit gekend hebben, nu gaan denken dat die kleine vragelering van ons eigenlijk zo’n beetje een lolletjesmakerij was en dat die dominee van ons zich toch een beetje erg raar aanstelde, want zo was ’t echt niet hoor. Nee, onze dominee heeft ’t tegen ons vanzelf nooit gezegd, maar nu begrijp ik ’t best dat hij niet vond dat je godsdienstonderwijs niet met een uitgestreken gezicht (fieselemie) geven moet. Hij begreep de jongens (knechies) en de meisjes beter als menig schoolmeester. We hebben temet (bijna) ook wel eens bij hem geschreeuwd of tenminste bij zijn verhalen (vertelsels) de brokken in je keel zitten wegslikken, maar het meest hebben we toch gelachen. Want reken erop, als er wat te lachen was, dan zorgde dominee ook wel dat er gelachen werd.

We hebben – om maar weer eens wat te noemen – gelachen toen dominee over die zware plagen van Egypte vertelde, ik meen vooral van die 2e plaag, toen er immers verschrikkelijk veel kikkers waren. Als dominee ons toen liet zien hoe toen die Egyptenaren overal en overal met hun blote benen op die koude kikkers trapten, en hoe ze overal kikkers in vonden, in hun bed, in hun eten, in de melkkan, overal en overal in, dan gierde de hele lering van het lachen.

Zo hoor ik ‘m ook nog vertellen over Abraham en Sara en over Hagar en Ismaël en Izaak. Toen ik flink wat jaren daarna zelf die geschiedenissen in de Bijbel gelezen had, toen kon ik wel merken (had ik wel mureke), dat dat weggaan van Hagar met ‘r kleine Ismaël daar wel een klein beetje anders verteld werd als dominee ’t aan ons deed. Want hij stelde het zo voor dat er voortdurend ruzie was tussen die 2 kleine jongens (joskes) van Abram, tussen de grote Ismaël en zijn kleine broertje Izaak. Dan liep de één schreeuwend naar zijn moeder, dan weer de ander. Dan kwam de kleine Izaak, blèrend bij Sara en schreeuwde: Moeder, Ismaël die spuugt weer! Dan weer liep Ismaël naar zijn moeder en huilde: Izaak die timpt (liegt? pest?) almaar!

De ene keer ging Sara naar Abram om te klagen en dan weer was ’t Hagar en zo konden we best begrijpen dat die oude Abraham dat op ’t laatst doodmoe werd en toen zei: Hoor eens dat kan zo niet langer, één van de twee moet met haar zoon (knechie) de deur uit.

Dat het toen Hagar moest zijn die immers toch maar een slavin was, nou dat was nogal helder.

Zo wist onze dominee een hoop dingen, die zoals ze echt in de Bijbel staan, naar mijn mening, je eigenlijk toch niet net zo aan kleine kinderen vertellen kan, op zijn eigen manier ons toch zo bij te brengen dat we het toch goed onthielden en ook net zo goed alles (alle ommereweerom) daarvan begrijpen alsof we alles zelf in de Bijbel gelezen hadden. Nee je moet in zulke dingen niet zo erg naar de letter kijken.

Misschien zouden er toch wel ’n deel neineimede (slechtdenkende?) mensen geweest zijn die ’t gewoon heel erg vonden als ze er alleen maar van gehoord hadden wat voor antwoorden dominee bij tijden op de vragelering van ons kreeg. Dominee had altijd deze regel dat ‘ie wat dan ook een week tevoren eerst vertelde over alles waar de week erna de vragen over gingen. Daarbij gebeurde het nogal eens dat wij, als we onze vragen opzeggen moesten, dat zo nu en dan ’s een klein beetje deden zoals dominee ons dat verteld had. Gelukkig was dominee helemaal niet neinemend. Hij wist meteen wat je bedoelde en als dat er nou maar zo’n klein beetje uitkwam, dan was hij al tevreden.

Zo gebeurde het wel dat de jongens zeiden dat Ezau een jager was, maar Jacob dat was een keukenpiet. Of ze vertelden dat diezelfde Ezau z’n eerstgeboorterecht aan Jacob verkocht voor een schotel met bessenpap. Ja, we hebben er ook nog ‘es één gehad die zei dat Jacob naar zijn oom Laban ging omdat ‘ie zo’n verbeelding van zijn nichtje had, maar dat was dominee zijn schuld niet en zo’n antwoord dat werd vanzelf niet goedgevonden.
Ja aan die kleine vragelering, daar denk ik nog vaak met veel plezier aan. Die zal me altijd bijblijven als een mooi stuk van mijn kinderleven.

Laatst (iemesdage) was ik nog eens in mijn oude geboorteplaats en toen ging ik nog eens op het kerkhof kijken. Als je dan tussen die grafstenen doorloopt en je leest al die namen van die mensen, die je bijna allemaal wel gekend hebt, maar waar je de meeste toch al bijna helemaal vergeten had, dan komt je jonge tijd, toen er nog zo’n hoop van die mensen leefde, je nog beter als anders voor je geest. Zo verging het mij toen tenminste wel en vooral toen ik aan dominee’s graf kwam. Daar heb ik behoorlijk zo’n beetje stil gestaan en toen gingen mijn gedachten, lijkt het wel weer helemaal terug naar die kleine vragelering. ’t Was zo stil en eenzaam op het kerkhof en toen was het net of ik onze dominee met zijn vriendelijke gezicht weer in de consistoriekamer zag staan. Aan 2 kanten zag ik ze weer zitten: aan deze kant de meisjes en aan de andere kant de knechies. Eentje van ons die kende zijn vragen weer eens niet en die zou daarom geen streepje krijgen in dominee’s boekje. En dat betekende dat je dan weer een week langer moest wachten op ’n plaat, want kijk, dat was zo bij ons dat je elke week als je je vragen kende, je een streepje kreeg en als je er dan 8 had, dan mocht je van dominee een prent uitzoeken. Geen streep krijgen, dat was wat, toen in die tijd. En dominee die ging ’t zelf altijd aan zijn hart, als hij er eentje geen streep geven kon. Als ’t maar even kon, dan probeerde hij zelf altijd om zo’n jongen of meisje erdoor te sleuren. Nou dan, ik zàg ’t weer voor me en ‘k hoorde dominee weer aan ons, die de vragen wèl kenden, vragen zoals die altijd nog zou doen: “Wat denken jullie ervan? zullen we de zondaar nog een kansje geven en hem nog eens overhoren?” En weer hoorde ik de hele lering roepen, net als altijd: “Ja dominee!”

Wat zou de wereld een boel mooier zijn en beter als het in het leven ook zo ging. Als we dan ook allemaal meehelpen willen en ook gingen doen, om als er eentje niet gedaan had wat ‘ie had moeten doen, of als die wat verkeerd gedaan had, ‘m nog eens een nieuwe kans te geven en ‘m nog eens van voren af te laten beginnen, net alsof er nooit geen donder in de lucht geweest was.

Goede oude dominee! Zo ver is het nog lang niet in de wereld en ‘k heb er een zwaar hoofd in of de wereld ooit wel zo ver komen zal. Maar dit weet ik wel heel zeker, dat het er niet aan ligt dat je door je woorden en meer nog je daden ons daarvoor (niet) hebt geprobeerd op te leiden!


* handgeschreven tekst op de scan:

een overdruk van C. Keijzer en Mr H Jonker Hzn “De Anna Paulownapolder 1846-1946” Wormerveer 1946.
Op pag. 238 staat een lijst van predikanten die begint met <AG Pareau 1856-1896>. Dirk de Leeuw was de koster.
Op pag. 242 staat dat t.b.v. de stichting der RK kerk te Anna Paulowna (OLV Praesentatie): <Ds Pareau tekende voor fl 10,-!>
Met de Leeuw op pag. 237 wordt de dijkgraaf JC de Leeuw bedoeld.