JH Pareau – Levensbericht door Heringa – deel 3

Vervolg Levensbericht JH Pareau door Heringa, deel 3 vanaf pag 25
N.B. originele taal, ongeredigeerd!

Niet alleen als Schrijver en Hoogleraar was Pareau te Harderwijk werkzaam, maar ook als Evangeliedienaar. Hij bekleedde daar wel niet het ambt van Leraar bij de Waalse Gemeente; maar hij beklom toch meermalen, hiertoe verzocht zijnde, den kansel: en hoorders, bevoegd om er over te oordeelen, roemden zijne zaakrijke, ernstige, stichtelijke predikatiën zowel, als de levendigheid en het vuur zijner voordracht.

Derdehalf jaar na zijne komst te Harderwijk, viel aan Pareau de eer te beurt, van als Rector Magnificus te staan aan het hoofd van den akademischen Senaat. Maar met die eer was ook de last verbonden van de eerste te zijn in het handhaven van goede orde en tucht, omtrent welke Koning Lodewijk nu juist gestrenge bevelen gegeven had. De losbandigheid en weerbarstigheid van jongelingen, die niet niet tot Mijne leerlingen behoorden, veroorzaakte hem dus geen gêringe moeite en zorg, aan welke hij evenwel moedig en met goed gevolg, het hoofd bood.

Welkom was hem dan de 21 Junij, 1808, de dag, op welken hij, na verloop van een jaar, dien post, naar oudergewoonte, aan een opvolger kon overdragen. Dit deed hij, na het houden een Redevoering, ‘de amico atque utili Graecarum Latinarumque literarum cum(?) Orientalibus consortio’. Het onderwerp had hij alreeds, bij zijne Intreérede, met een woord aangeroerd: nu behandelde hij het meer opzettelijk, deels wel, om de liefhebbers der Griekse en Latijnse Letterkunde tot de beoefening van de Oosterse, ware het mogelijk, uit te lokken; deels vooral, om hen, die zich op de Arabische en Hebreeuwse Letteren toeleggen, tot het beoefenen van die der Grieken en Romeinen aan te sporen.

Met het eerste oogmerk sprak hij, tot lof van het eenvoudige en verhevene in de Oosterse talen, van den rijkdom der Arabische, van de eigenaardige schoonheid der Oostersche Dichters; van het belangrijke der Geschiedschrijvers; en bijzonder tra…den bloei der Arabische Letterkunde in de duistere Eeuwen, gedurende welke de Griekse en Latijnse verwelkt waren. Met het tweede oogmerk, wees hij op de grote vorderingen, welke men, in de kennis van den aard der Griekse en Latijnse talen, heeft gemaakt, en door welke het onderzoek der Oosterse zeer kan worden bevorderd, uit hoofde van de natuurlijke gelijkmatigheid, die er tusschen deze en gene talen plaats heeft. Om dezelfde reden, ried hij, tot recht verstand en tot betere waardeering van de Oosterse Dichters, de vergelijking der Latijnse en vooral’ der Griekse aan.

Allermeest toonde hij, dat de onderwerpen van Geschiedenis, Tijdrekening, Aardrijkskunde, Natuurkunde en Oudheden, bij Oosterse Schrijvers aangeroerd, de toelichting behoeven van Grieken en Romeinen. Bijzonder stond hij nog stil bij de wetten van Moses, welker gepastheid, heiligheid en Goddelijken oorsprong, men bést zal leeren schatten, wanneer men den aard des Vólks, voor hetwelke zij bestemd waren, gade slaat, en ze tevens vergelijkt, met de onderscheidene oude wetgevingen bij Grieken en Romeinen.

Voorts merkte hij aan, dat de beoefening van de oude meer beschaafde Letteren bij uitstek geschikt is om de Oosterse Letteren, zowel als de God geleerde, Wijsgeerige, Rechtsgeleerde en Geneeskundige Wetenschappen, met meer smaak en bevalligheid, te behandelen, en aan dezelve een schooner en aantrekkelijker voorkomen te geven. Dit alles staafde hij met de voorbeelden, wel niet van alle, maar van de meeste beroemde Mannen, die, in de vorige en de tegenwoordige Eeuw, onder ons de Oosterse Letteren hebben behandeld; bijzonder met dat van den jongsten, helaas ‘den laatsten der <schbltessen?> ; eindelijk met dat van den jongeren <Kiu!-Kaie?>, een korten tijd, als Kanselredenaar te Harderwijk bewonderd was’, en onlangs aan de Hoogeschool te Leyden door een vroegen dood was ontrukt, (12) En wij twijfelen niet, of de <asjkp rrje> lingschap zal op deze lijst den <ra.aa.rn?> van Pareau mede aanschrijven.

Waren de leerlingen van Pareau te Deventer en Harderwijk minder in getal geweest, eerlang stond hij voor een talrijke schare zijne lessen te geven, aan de Utrechtsche Hoogeschool, De grijze Pareau had haar, over de zestig jaren, met roem gediend, en verwierf den 1 Mei 1810 een eervolle rust. Hij had, van het jaar 1749 af, alleen de Oosterse Letterkunde onderwezen, eerst als Lector, daarna als buitengewoon, vervolgens als gewoon Hoogleraar; maar was ten jare 1771 tevens aangesteld, als Professor Theologiae typicae et exegeticae, en als zoodanig geplaatst in de Faculteit der Godgeleerdheid. De Raadslieden van den toenmaligen Koning Lodewijk schijnen de laatste bijzonderheid niet te hebben geweten: en hieraan heeft men het toe te schrijven, dat Pareau, zonder zulks te wenschen, onder de genoemde titels en met denzelfden rang als zijn Voorganger, tot diens Opvolger werd aan gesteld, bij Koninklijk besluit van genoemden dag. Hij aanvaardde zijnen post, den 27 Sept. met een fraaije Redevoering, de constanti ac nori mutabili Oriënt Orientalium ingenio, Sacrarum literamm cultoribus suos in usus diligente abservando.

Zeer gelukkig nam hij zijne inleiding van hetgene, in die dagen vooral, door iederéén’ met smarte werd opgemerkt, de gedurige verandering van inrigtingen, bedrijven, gevoelens en denkwijze, onder de volken van Europa. Was de beschouwing hiervan, hoewel leerzaam, evenwel voor ons bedroevend, hij wilde ons een niet minder leerzaam, maar meer aangenaam tafereel aanbieden van Oosterse Volkeren, die zich zelven doorgaans gelijk blijven. Gelijk de afwisselingen van weder en wind. in het Oosten veeltijds in het ééne jaar gelijk zijn, aan die Van het andere, zó blijven ook de mensen van eeuw tot eeuw zich zelven gelijk, Er hebben wel nu en dan omwentelingen plaats, maar de aard der Oosterlingen blijft er dezelfde onder.

Men ziet dat in het eeuwen lang stand houden van een willekeurigen regeringsvorm en van een oversnelle rechtspleging; in de nooit veranderende behandeling van het vrouwelijke geslacht, en van de vreemdelingen en gasten; in de immer gelijke wijze van landbouw, woning, kleeding, spijsbereiding, reistogten en wat dies meer is. Ten voorbedde wees de Redenaar hij – zonder op de bewoners van China, wier regeringsvorm, instellingen, taal en schrift onveranderd zijn gebleven, ofschoon zij ook onder de heerschappij der Tartaren gekomen zijn.

Bijzonder vestigde hii de aandacht op de Hebreërs, Syriërs, Ethiopiërs, allermeest op de Arabieren, en wel meer bepaald via op de zwervende afstammelingen van Ismaël, wier onveranderd bestaan tot bevestiging dient der God spraak aan Hagar gedaan. (Gen. XVI. 12.) Na het beknopt behandelen dezer daadzaken in het eerste deel zijner rede, gaf hij, in het tweede, het nuttige gebruik op, dat er, van de kennis dezer onveranderde geaardheid der Oosterlingen, behoort te worden gemaakt, bij de behandeling der Heilige Schriften.

Is, namelijk, het taaleigen der Oosterlingen ten allen tijde één en hetzelfde gebleven, dan kan men veilig, tot recht verstand der weinige ons overgeblevene Hebreeuwse gedenkstukken des Bijbels, zich bedienen van den rijken voorraad der Arabische en Syrische geschriften, uit latere eeuwen voorhanden: dan verliest ook de bedenking, welke er, tegen de hooge oudheid der Schriften van Moses, wordt afgeleid uit de gelijkheid der taal met die van latere Hebreeuwse werken, al haar gewicht. Is de wijze van spreken bij de Oosterlingen aart zich zelve gelijk gebleven, dan zal men ook niet vruchteloos, met de oudste Bijbelboeken, bij voorbeeld met Jobs dichtstuk, de veel latere voortbrengselen van Arabische poëzij vergelijken.

Heeft er in de denk en handelwijze der Oosterlingen’ een zo grote volstandigheid plaats, dan strekkende berichten van de latere, zelfs van de hedendaagse Reizigers, omtrent de zeden en gewoon ten in het Oosten, tot recht verstand van ontelbare bijzonderheden, in de H. Schriften voorkomende en geheel verschillende van onze gebruiken: gelijk me de verdrukkingen, geen verbanning uit hun land, geen vcrstrooijing onder de volkeren der aarde, hen van de belijdenis des Eenigen en Eeuwigen heb ben kunnen aftrekken. Het gewigt en de nieuwheid van dit onderwerp, het hooge doel der Rede, de geheele aanleg om te werken op verstand, verbeelding en gevoel, de keurige Latijnse stijl, de schoone houding der beelden, de gepastheid der spraakwendingen, het tijdige gebruik van bloemen, uit de beste gewijde en ongewijde schrijvers zonder er mede te pronken, de kracht en somtijds het vuur der voordracht, maakte, samen vereenigd, een zo treffenden en gunstigen indruk op de tal rijke schare zijner toehoorders, als men niet dikwijls bij entreé-redevoeringen opmerkt.

Vanhier dan ook, dat deze Oratie, nog vóór het einde des jaars in het licht verschenen, spoedig in het Nederduitsch vertaald door den Heer en Mr. a. j. w. van Dielen, en ten volgenden jare uitgegeven werd, onder den titel: “Redevoering over den bestendigen en geenszins veranderlijken aard der Oosterlingen, als welks naauwkeurige opmerking van het grootste belang is voor den Beoefenaar der Gewijde Letteren”. Twee maanden na zijne intrede te Utrecht, ontving Pareau het aangename berigt van de bekrooning zijner te Harderwijk geschrevene “disputatio de rationum, quae mythicam librorum sacrorum interpretationem suadeant, momento ac pondere”. Namelijk Tyler’s Godgeleerd Genootschap te Haarlem had reeds, ten jare 1807 de volgende Prijs vraag uitgeschreven. Zijn er voldoende redenen, om sommige verhalen uit de gewijde Geschiedenis als Mythen, leerzame verdichtsels of zinnebeeldige voorstellen op te vallen? Zo ja: kan echter zulk een wijze van uitlegging geen aanleiding geven, om het gezag en de achtbaarheid der Heilige Schriften aan het wankelen te brengen. En welke zijn de regelen en wetten, die men zou behooren in het oog te houden, om dat gevaar te voorkomen. Daar er, in het volgende jaar, geen antwoord inkwam van genoegzame waarde, om er den gouden eereprijs aan toe te kennen, werd deze, om het belangrijke der vraag, ten tweeden male uitgeloofd in de maand April van 1809, en in November van 1810 aan onzen Pareau toe gewezen.

Het duurde evenwel tot in het jaar 1814 de, <..> tot staving van de waarheid der Bijbelserie verhalen nopens zaten en gebeurtenissen, die ons geheel vreemd en bijna ongeloofelijk voorkomen. Ten bewijze hiervan, bragt de Spreker de wraakzucht bij, die, ten allen tijde, een trek was van het karakter der Oosterlingen, en wier inwilliging voor een’ heiligen pligt werd gehouden: wie nu dit op merkt, vindt er door opgehelderd en gestaafd, wal ons, van de wraakgierigheid der Hébreërs, zo menigmaal in de gewijde bladeren voorkomt. Wat meer is, deze opmerking strekt ook tot hooge eer voor de edelmoedige vergevensgezindheid van Job, Joseph, David, allermeest van Jezus, dat evenbeeld des hemelschen Vaders op aarde.

Eindelijk leert men ook, door den onveranderlijken aard der Oosterlingen op te merken, die zonderlinge gehechtheid beter kennen, welke het Israëlietische volk, door alle eeuwen henen, heeft getoond aan eenmaal aangenomene gevoelens van God en Godsdienst. Wij zien de Arabieren den afgodendienst verlaten, door den invloed van Mohammed; doch niet dan genoodzaakt door geweld van wapenen: en ook daarna zien wij hen aan zijne instellingen onafscheidelijk gehecht. Zachtere middelen beproefden Moses, latere Profeten, Koningen, ja Gods wonderdoende Voorzienigheid zelve, om de Israëlieten van de in Egypte aangeleerde afgoderij in den grond te genezen, doch telkens op den duur vruchteloos-, tot dat de harde straf der ballingschap hen derwijze van dit euvel genas, dat, van nu af aan, geen vér <…>, eer er van de bekroonde Verhandeling een Nederduitsche Vertaling was vervaardigd, die, tegelijk met het Latijnse oorspronkelijke, werd uitgegeven, als het XXV. Deel der Verhandelingen rakende den Natuurlijken en Geopenbaarden Godsdienst, uitgegeven door Teyler’s Godgeleerd Genootschap.

Bedrieg ik mij niet, dan zoude deze Verhandeling alleen genoegzaam zijn, om haren Schrijver bij de nakomelingschap te doen hoogschatten, als een’ verstandigen en Warmen Voorstander van den Christelijken Godsdienst en van de boeken des O. en N. Verbonds. Tot eer van deze boeken toch beweerde hij, dat er geen voldoende redenen bestaan, om eenig <gedeettp?> van dezelve voor Mythen of verdichtselen te houden: ja, dat de zogenoemde mythische verklaring, zo als dezelve doorgaans wordt aangewend, met het gezag en de achtbaarheid des Bijbels strijdig, en voor den geopenbaarden Godsdienst gevaarlijk is. Ten dien einde, gaf hij, in een breede Inleiding, Op, deels, wat men, in het algemeen, door Mythe verstaat, hoe men Mythen in soorten verdeelt, hoe mén in derzelver behandeling van elkander verschilt, en wat Mythen onderscheidt van verbloemde voorstellingen en versierde zedelijke verhalen; deels, hóedanige Mythen sommige Geleerden, de ééne meer, de andere minder, bijzonder in den Bijbel meen te vinden, hoe verschillend men, in derzelver waardeering en verklaring te werk gaat,” eindelijk, hoe de Schrijver de beoordeeling van de mythische uitlegging der H. Schriften dacht te ondernemen.

Hij schikte zijne Verhandeling in twee hoofddoelen. In het eerste beoordeelde hij het algemeen en voorname bewijs, ontleend van hetgene doorgaans bij andere volken heeft plaats gehad, en wat daarom dan ook zoude moeten gevonden worden bij hen, wier geschiedenis in de Bijbelboeken wordt vérhaalt. Het onrechtmatige van deze gevolgtrekking toonde hij middagklaar aan: en hij stelde hierbij het grote verschil in het licht, tusschen de eerstvermelden en de laatstgenoemden, ten aanzien van Godsdienstige kennis en van geloof waardige geschriften en overleveringen, welke dezen bezaten, genen misten. In het tweede deel, bragt hij de bijzondere hulpbewijzen ten toetse, Welke omen voor de mythische Bijbelverklaring pleegde bij te brengen. Beriep men zich op den grooten afstand van tijd, tusschen de gebeurtenissen en derzelver teboekstelling, hij toonde aan, dat de zelve minder groot is, dan men meende en dat men te onrecht twijfelde aan de echtheid en geloofbaardigheid van de geschiedkundige boeken des O. en N. Verbonds. “Wilde men éen bewijs ontleen uit een overoud mythisch spraakgebruik, veroorzaakt door het taaleigen en de onkunde in den aard en oorsprong der natuurverschijnselen, hij wees de bron der bijbelsche voordracht aan, in de geaardheid der Oosterlingen en in de erkentenis van Gods albestuur bij de met een nadere Openbaring bevoorrechte menschen, en vond geen reden, om die bijzondere Voordracht juist mythisch te noemen.

Achtte men éindelijk, de zogenoemde mythische Schrift verklaring geschikt, om de <r..m?>baarheid des Bijbels té handhaven, hij bewees integendeel, dat dezelve dé geloofwaardigheid der gewijde geschiedenis benadeelt, den Goddelijken oorsprong der H. Schriften miskent, en het gezag der geopenbaarde Godsdienst leer ondermijnt. Wie zich voor dit gévaar wenschte te hoeden, dien prees hij ten slotte eenige behartigingswaardige regelen, bij het verklaren des Bijbels, aan. Gehéél deze Verhandeling draagt onmin kenbare bewijzen van belezenheid, geleerdheid, schranderheid, waarheidsliefde en ernst. De bestrédènè gevoelens worden, in derzelver ware gedaantè, voorgesteld: én de aangevoerde redenen even zorgvuldig gewógen als bondig wederleid. Des Schrijvers gevoelen Wordt onbewimpeld en bescheiden voorgedragen: wat voor bewijs vatbaar is, met voldoende redenen gestaafd; het overige tot een ‘ trap van waarschijnlijkheid gebragt, met welken men zich, bij een onderwerp als het onderhavige, mag tevrédén houden.

Een menigte van belangrijke zaken wordt er behandeld, en een groot aan tal van bijzonderheden uit de gewijde Schriften wordt ér opgehelderd, met een keurige beknoptheid. De geheele voordracht is gekenmerkt, door orde, juistheid en helderheid; door echt Latijnsen stijl, met verscheidenheid en gepasten sieraad; en verheft zich somtijds tot de levendigheid en hartstogtelijkheid van den Redenaar, die het hooge belang der zaak, Welke hij bepleit, diep gevoelt. Indien men ook al met ’s Mans gevoelen niet geheel instemt, of hier en daar nog iets meer van zijn betoog verlangen zoude, niemand evenwel zal er aan twijfelen, of hij heeft hét eeregoud dubbeld verdiend: Mij althans is, vóór of na, niets, betreffende dit gewigtige en moeijelijke onderwerp; ónder het ooge komen, dat met het werk van Pareau in ééne rang kan staan: en ik acht zeer Weinigen in staat, om zich van deszelfs behandeling zo te kwijten, als hij het gedaan heeft.

Intusschen hield hij zelf zijnen arbeid niet voor volmaakt: het tegendeel bleek, bij de tweede Uitgave van den Latijnsen tekst, tien jaren na de eerste verschenen te Utrecht, onder den eenvoudigen titel: “Disputatio de mythica Sacri codicis interpretattonei Editio altera, Ad ditamento et Indicibus aucta”. In de Voorrede gaf hij te kennen, wat hem tot deze uitgave vrijheid en drang gegeven had, en waarom hij, met het geven van bijvoegselen, spaarzaam te werk ging. Trouwens hij wist, dat men van zijne hand gaarne een voortgezette beoordeeling zoude ontvangen van al wat er, sedert het opstellen zijner Verhandeling, door anderen, over het betwiste onderwerp geschreven was. Hij achtte dit evenwel, om goede redenen, onnoodig en ongeraden, en vergenoegde zich, met een bescheidene oordeelvelling over sommige bijzonder, merkwaardige nieuwe werken. Met een korte beantwoording van aanmerkingen, op zijne Verhandeling gemaakt; met het verwijzen naar de breedere behandeling van enige gedeelten zijns onderwerps in zijn uitlegkundig werk, toen onlangs uitgegeven; en met de vermelding van het één en andere, waaromtrent hij Van gevoelen veranderd was. Men is hem, voor dit weinige ‘bijgevoegde, dank schuldig, vooral evenwel voor de naauwkeurige bladwijzers, zo van de zaken, als van de Bijbelplaatsen, in het Werk zelve en in de Bijvoegselen behandeld.

Nauwelijks was Pareau een jaar aan de Utrechtsche Hoogeschool werkzaam geweest, of hij deelde, met zijne Ambtgenooten, in den tegenspoed en de zorgen, veroorzaakt door het besluit van den Keizer der Franschen, waarbij onze Akademie tot een School van den tweeden rang vernederd werd. Evenwel leende hij het oor niet aan een vereerend aanzoek, om zich voor de gevreesde schipbreuk te bergen, door een uitnoodiging haar Groningen op te volgen. Trouwens in den storm, door welken wij toen beloopen werden, gedroeg hij zich, met de gelatenheid en den moed, die den wijzen Man, den echten Vaderlander en den vromen Christen, betamen. Ik had, op mijnen post als Stuurman, bijzonder reden, om zijne hulpvaardigheid te danken, toen wij, bij de wedergeboorte Van onzen Staat, uit den storm gered, en in een schoonere haven, dan wij hadden kunnen hopen, veilig waren.

Gedurende dit hagchelijke tijdperk, kon hem een vereerende roeping tot Predikant bij de Waalse Gemeente te Utrecht niet aangenaam zijn, indien slechts deze betrekking hem niet in de waarneming van zijn Hoogleraarsambt zoude hinderen. Reeds den 22 Sept. 1811 werd hij gekozen, maar er verstreken omtrent drie maanden, vóórdat zijn besluit bepaald en aan den Kerkenraad kenbaar gemaakt was: en nu duurde het nog tot den 7 April, 1812, dat hij berigt ontving van ’s Keizers goedkeuring op het beroep, en tot den 24 Mei, dat hij zijne intrede deed. Deze keus werd algemeen toegejuicht: niet alleen, omdat de Waalse Gemeenté in hem een begaafden en hartelijken Evangelieprediker ontving; maar ook, omdat men van zijn voorbeeld een gunstigen invloed wachtte op de kweekelingen voor den dienst der Kerk; bijzonder der’ Gemeente, welke de Fransche taal gebruikt. Zijne kanselwelsprekendheid lokte dan ook weldra een overgroot getal van toehoorders, uit den hoogeren en middelstand ter kerke: en onder dezen ook zodanigen, die van de taal des Predikers te weinig verstonden, en toch meenden zich, als ingelijfden in het Fransche rijk, de Fransche taal te moeten eigen maken.

Welligt heeft men het dan ook aan den gezegenden keer van zaken ten jare 1813 toe te schrijven, dat die zucht verflaauwde, en het getal van ’s Mans toehoorders allengs verminderde. Verre van zich hier over te bèklagen, of een beroemden Franschen Redenaar, die zich wat later hier, van tijd tol tijd, liet hooren, een hoogere waardering te misgunnen, bleef hij zijnen kerkelijken dienst getrouw waar te nemen, tot dat <…> uit hoofde van steeds toenemende akademische bezigheden, zich, ten jare ‘1826,’ verpligt gevoélde, om gebruik te maken van de vreiheid, welke hij, bij dé aannemihg zijner berroeping, bedongen had, en zijn ontslag te nemen: ten gevolge waarvan hij, den 9 April van dat jaar, zijne Afscheidsrede van de Gemeente hield. <H….> haar evenwel eenige schoone gedenkstukken van zijne kerkelijke Redevoeringen behouden, <jolde?> “Sermons sur quelques textes de l’ écriture” Sainte & Utr. 1814, en in den “Sermon, prononcé pour l’ouverture de la rêunion des députés des Eglises Wallonnes” a Zutphen, le 9 Sept. <J8J9?>, ten zelfden jare te Utrecht uitgegeven. Redevoeringen ( alle ……


Wordt vervolgd t.z.t.